|
|
Karate
De traditie van de Chinese lege hand gevechtskunst, ch’üan-fa genaamd (kempo in het Japans) begint in de 6e eeuw met de komst van de Indiase Boeddhistische monnik Bodhidharma naar de Chinese Shao-lin-szu tempel om het Boeddhisme te verspreiden. Hij brengt de I-chin ching mee, een boek dat statische spieroefeningen en Yoga ademdiscipline beschrijft, bedoeld om de circulatie van Ch’i te bevorderen. Omdat hij de monniken in slechte gezondheid aantreft, laat hij ze, om de gestrengheid van Zen te weerstaan, op Yoga gebaseerde oefeningen doen die bekend staan als de 18 Handen van Lo-Han, waarvan men aanneemt dat het de voorloper is van het Shaolin tempel boxen, welke stijl leidend was in de verdere ontwikkeling.
Gaandeweg vertrouwde men ten Noorden van de Yangtze Rivier méér op beentechnieken; ten Zuiden ontwikkelde men een voorkeur voor arm-, hoofd- en vuisttechnieken.
Er ontstaan 4 stromingen: Shao-lin-ch’üan, Pa-kua-ch’üan, T’ai-chi-ch’üan en
Hsing-i-ch-üan dat wordt verfijnd in de Sung periode [960-1279] door Chang Sanfeng, door toevoeging van de “point + circle” techniek, die hij afkijkt van de kraanvogel.
Kempo ontwikkelt innerlijke kracht Ki (Chinees Ch’i) door Zen.
Vervolgens traint men 5 basis-technieken in kata (hsing in het Chinees) gebaseerd op instinctieve bewegingen van 12 mythische dieren, te weten: 1 de draak, 2 de tijger, 3 de aap,
4 het paard, 5 de haan, 6 de schildpad, 7 de adelaar, 8 de kraanvogel, 9 de slang, 10 de feniks, 11 de havik, 12 de beer, welke training zijn betekenis vindt in het in staat zijn deze bewegingen in praktijk te brengen zonder bewuste overwegingen.
Tijdens de Mingdynastie [1368-1644] stichtten 3 Chinese monniken de ‘Kushu Ryu’ op Okinawa als substituut voor de Shao-lin-szu tempel. Tijdens de Boxersopstand in 1896 weken eveneens veel Kempo meesters uit naar Okinawa. Zo ontstond “Tode” om de Chinese oorsprong aan te duiden. In 1923 introduceerde Gichin Funakoshi [1866-1957] “Tode” als Okinawa-te in Japan, waar het kara-te werd genaamd.
De in 1923 in Korea geboren Masutatsu Oyama kreeg van Mr. Yi, die op de boerderij van Oyama’s zus werkte, 2 jaar les in het Zuid-Chinese Kempo. In 1938 werd hij, op 15-jarige leeftijd, door zijn vader naar de militaire academie Yamana-shi in Japan gestuurd. In verband met een dodelijk voorval zonderde hij zich op aanraden van Sensei So Nei Chu van Goju Ryu in 1946 af op de berg Minobu om zich volledig te wijden aan Karate door rigide training zoals zittende meditatie onder een ijskoude waterval etc. Zijn inspiratie deed hij op uit het boek Go Rin No Sho, geschreven door Miyamoto Musashi [1584-1645], de beroemdste samoerai van Japan. Vervolgens trainde hij in 1947 de Goju Ryu stijl bij Gogen Yamaguchi (the Cat) waar hij kennis maakte met Kenji Kurosaki; hij werd er 2e dan. De overwinning in 1947 door Mas Oyama van het éérste na-oorlogse Japanse Karate Kampioenschap, moet historisch in het licht moet worden gezien van een streng verbod op martial arts door de Shogun van die tijd, General MacArthur. Daarna zonderde hij zich om PR-redenen weer af, nu op de berg Kiyozumi; Kurosaki bracht hem voedsel. Na over de wereld promotietrips te hebben gemaakt, waaronder het ossegevecht in Tateyama city in 1952, startte hij in 1953 met een dojo op gras zijn eigen stijlgroep t.w. het “Kyokushinkai”,samen met de 2e man Kenji Kurosaki, die zich overigens in 1972 afscheidde en Mejiro Gym begon. Nadat Jon Bluming (10e dan) op schriftelijk verzoek van ‘Opa Schutte’ van de Naja, in November 1961 in Nederland terugkeerde, introduceerde hij het Kyokushinkai. Tot dat doel richtte hij op 2 januari 1962 de Nederlandse Karate Associatie op. Siem van den Nieuwendijk was destijds eveneens leerling van Jon Bluming, Kaicho
|